woensdag 15 februari 2012

Kant over de vrije wil IN EEN SCHEMA


FENOMENALE WERELD

De wereld zoals die aan ons verschijnt binnen de beperkingen van onze zintuigen en ons verstand. Dit is de kennis van de natuur zoals wij die via de wetenschap verkrijgen. Wetenschap is zekere, maar beperkte kennis van de fenomenale wereld, niet van de wereld zoals die op zichzelf is. De wetenschappelijke blik op de mens begrijpt de mens in termen van oorzaak en gevolg, zodoende kan er in deze wetenschappelijke blik op de mens geen plaats zijn voor zoiets als een vrije wil.
Het determinisme hoort bij de fenomenale wereld, maar hoeft niet te gelden in de noumenale wereld.

DE WETENSCHAPPELIJKE BRIL:
O^O
·       Kijkt naar de Natuur
·       Ziet contingentie in zintuiglijke waarnemingen
·       Denkt in oorzaken en hun gevolgen
·       Gaat uit van de principes van causaliteit en determinisme
·       Sluit vrije wil en verantwoordelijkheid a priori uit



=========================================================================



NOUMENALE WERELD

De wereld zoals die op zichzelf genomen is. Deze wereld kunnen wij niet ontdekken als wetenschappelijke observatoren, maar wij maken er deel van uit als moreel handelende wezens. In onze omgang met elkaar prijzen en veroordelen wij elkaar  vanwege ons gedrag, omdat wij vinden dat wij ook anders hadden kunnen kiezen en dat wijzelf de oorzaak zijn van de keuzes die wij maken.
De vrije wil is een noumenon, een gedachte die niet wetenschappelijk bewezen kan worden.  Niettemin moet de vrije wil bestaan, omdat anders moreel handelen onmogelijk zou zijn.  

DE ETHISCHE BRIL:
O^O
·       Kijkt naar de Vrijheid
·       Ziet de noodzakelijkheid van ethische wetten
·       Denkt in intenties en doeleinden
·       Gaat uit van het principe van alternatieve mogelijkheden en dat van ultieme oorzaken
·       Vooronderstelt vrije wil en verantwoordelijkheid


5 soorten compatibilisme


5 SOORTEN COMPATIBILISME

SOORT COMPATIBILISME


BETEKENIS

FILOSOOF

VOORBEELDEN

TEGENARGUMENTEN

KLASSIEK COMPATIBILISME


Uit vrije wil handelen, betekent zonder belemmeringen of dwang kunnen doen wat je wilt

T. HOBBES
D. HUME

‘Uit vrije wil trouwen’

Het gaat hier niet om wilsvrijheid, maar om handelingsvrijheid.


CONDITIONEEL COMPATIBILISME



Uit vrije wil handelen, betekent dat iemand, als die een andere keuze had gemaakt ook anders had gehandeld


G. E. MOORE

‘Verlamde in een rolstoel, man die kan lopen’

Als consequentie-argument klopt lag alles wat wij doen vast voordat wij geboren werden, dus wij hadden nooit anders kunnen kiezen.

COMPATIBILISME ZONDER ALTERNATIEVE MOGELIJKHEDEN


Om iemand verantwoordelijk te houden voor zijn handelen, hoeft hij niet anders te hebben kunnen doen

H. FRANKFURT

‘Dokter Black, meneer Jansen’

Duidelijk wat niet nodig is voor verantwoordelijkheid, maar wat is wel nodig?

COMPATIBILISME OP GROND VAN VATBAARHEID VOOR REDENEN (SEMI-COMPATIBILISME)


We hebben geen totale controle, we kunnen niet ‘uit het niets’ een handeling veroorzaken. We hebben ook geen regulatieve controle, we kunnen niet anders doen dan we doen. Wij hebben wel besturingscontrole. Uit vrije wil handelen betekent dat wij onszelf besturen


J. M. FISCHER

‘Rij-instructeur en Anne’

Is handelen uit vrije wil werkelijk hetzelfde als “vatbaar zijn voor redenen”?

COMPATIBILISME OP GROND VAN REACTIEVE ATTITUDES





Onder vrije wil verstaan we een bepaalde houding (reactieve attitude) waarmee wij op een ander reageren als verantwoordelijk persoon. We bekijken nooit alle handelingen vanuit een objectiverende houding.

P. STRAWSON

Is een moordenaar dader (reactief) of zelf slachtoffer (objectiverend)?

Het feit dat we onze houding niet kunnen uitschakelen, rechtvaardigt die houdingen nog niet.

Consequentie-argument:
Pr. 1 Wij hebben geen invloed op gebeurtenissen in het verleden en op de natuurwetten
Pr. 2 Wij hebben geen invloed op hoe de toekomst voortkomt uit de inwerking van de natuurwetten op gebeurtenissen in het verleden.
C. Wij kunnen geen invloed uitoefenen op wat er in de toekomst gebeurt.

Principe van Alternatieve Mogelijkheden (PAM): Handelen uit vrije wil vereist dat je ook anders had kunnen doen.

Principe van Ultieme Oorzaak (PUO): Als iemand uit vrije wil handelt dan is zijn handeling veroorzaakt door zijn keuze om zo te handelen, zonder dat die keuze zelf weer is veroorzaakt door eerdere gebeurtenissen.


4 posities in het debat over determinisme


4 POSITIES IN HET DEBAT OVER DE VRIJE WIL

WIJ HEBBEN EEN VRIJE WIL
DE VRIJE WIL BESTAAT NIET

HET DETERMINISME IS WAAR

Compatibilisme



Hard determinisme (P. Laplace)


HET INDETERMINISME IS WAAR


Libertarisme (R. Kane)

Hard incompatibilisme. (D. Pereboom)

Vrije wil als voorwaarde voor verantwoordelijkheid: Het soort controle over het handelen dat nodig is om iemand verantwoordelijk te kunnen houden voor zijn gedrag.
Determinisme: Alles wat gebeurt, is het in principe voorspelbare gevolg van de inwerking van de natuurwetten op gebeurtenissen die in het verleden plaats hebben gevonden. Voorbeeld: demon van Laplace. Als het determinisme waar is, is het principe van ultieme oorzaak onwaar.
Indeterminisme: Niet alles wat gebeurt, valt van tevoren precies te voorspellen. Voorbeeld: in de kwantummechanica is het onmogelijk om tegelijkertijd de positie en de snelheid van een deeltje vast te stellen. In kwantummechanica wordt rekening gehouden met een zekere mate van onvoorspelbaarheid.
Compatibilisme (rood): Vrije wil en determinisme zijn compatibel, zij kunnen naast elkaar bestaan.
Incompatibilisme (blauw): Vrije wil en determinisme zijn incompatibel, zij kunnen niet naast elkaar bestaan.

Hoe valt het determinisme te rijmen met vrije wil en verantwoordelijkheid?


Determinisme betekent dat er niets gebeurt zonder oorzaak. De 'harde' consequenties van dit determinisme zijn al in 1814 uiteengezet door de Franse wiskundige en natuurkundige Pierre-Simon Plaplace. Het beroemde gedachtenexperiment van Laplace stelt dat als er een alwetende demon zou zijn die de precieze locatie en de precieze snelheid zou kunnen bepalen van ieder deeltje in het universum, deze demon met behulp van de causale natuurwetten heel precies zou kunnen uitrekenen wat er op ieder moment in de toekomst zou gaan gebeuren. Zo zou de hele toekomst in kaart gebracht kunnen worden als een continent dat al bestaat, al kennen wij het zelf nog niet. Het harde determinisme roept het angstbeeld op dat ik geen controle heb over mijn eigen leven, maar dat alles wat ik doe onvermijdelijk voortvloeit uit de natuur en haar eeuwige wet van oorzaak en gevolg. De mens heeft geen vrije wil, zeggen harde deterministen, en daarmee bedoelen ze: de mens heeft geen controle over zijn eigen leven.  Ik kan niets doen om de toekomst te veranderen. Alles ligt vast. Vreselijk. Maar is dit angstbeeld dat door het harde determinisme wordt opgeroepen nu het noodzakelijke gevolg van het determinisme? Nee, zegt de compatibilist. Hoe kan dat? Ofwel, hoe kunnen wij het compatibilisme - dat stelt dat het determinisme waar kan zijn én dat wij dan nog steeds een vrije wil kunnen hebben - begrijpen? 
Laten we beginnen met de reactie van het compatibilisme op het harde determinisme. De compatibilist denkt dat de harde determinist iets over het hoofd ziet. De harde determinist ziet alleen een bepaald soort oorzaken: uitwendige oorzaken. Maar ik word niet alleen bepaald door oorzaken buiten mij (mijn ouders, de samenleving, de natuurwetten, enzovoorts) maar ook door dingen “in” mij. Die dingen in mij zijn innerlijke gemoedstoestanden, zoals emoties en gedachten. Mijn emoties en gedachten zijn zelf oorzaken die mij doen handelen zoals ik handel. Op die manier valt determinisme te rijmen met vrije wil als voorwaarde voor verantwoordelijkheid. Zolang niets mij in de weg staat om datgene te doen wat ik uit mijzelf wil doen, en zolang niemand mij dwingt om iets anders te doen, kun je zeggen dat ik uit vrije wil handel.  
Laten wij die innerlijke gemoedstoestanden in een deterministische wereld nog iets nauwkeuriger bekijken. Een emotie als angst, de gedachte dat ik snel weg moet rennen, een emotie als verlangen, de gedachte dat iets aantrekkelijk is, dergelijke emoties en gedachten komen niet uit het “niets”, daar hebben de deterministen natuurlijk gelijk in. Als er bijvoorbeeld plotseling een vrachtwagen op mij afkomt, zal ik bang worden (schrikken) en proberen te ontkomen. En als ik honger heb en een lekkere taart zie, zal ik trek krijgen en naar die taart verlangen. Dit is allemaal deterministisch bepaald, maar maakt mij dat onvrij? Nee, juist omgekeerd, zou de compatibilist stellen. Ik ben blij dat ik automatisch wegvlucht voor datgene wat slecht voor mij is (het gevaarlijke) en verlang naar datgene wat goed voor mij is (het begerenswaardige). Ik voel mij vrij als ik datgene doe wat goed voor mij is en datgene mijdt wat slecht voor mij is. 
Een gevoel van vrijheid is echter nog geen echte vrijheid. Natuurlijk kan een harde determinist zeggen dat ik door de natuur (en het evolutieproces) ben bepaald om datgene wat mij in leven houdt en wat mijn leven beter maakt te verlangen en datgene wat mijn leven in gevaar brengt en mijn leven slechter maakt te vrezen. Maar staat dit haaks op het idee dat ik een vrije wil heb, in de zin dat ik controle uitoefen over mijn handelingen? Om dat uit te maken, moeten we eerst helderder bepalen wat het woordje ”controle” inhoudt.  Incompatibilisten lijken te denken dat het woordje “controle” inhoudt dat niets anders dan “mijn wil” mijn gedrag veroorzaakt, en dat mijn wil zelf niet veroorzaakt wordt door iets anders. Dit noemen wij ook wel het Principe van Ultieme Oorzaak (PUO). [1] Maar PUO is volgens de compatibilisten helemaal niet het geval. Als iemand mij bijvoorbeeld vraagt: waarom ben je dit nu aan het typen? Dan is het antwoord 'ik wil dit typen' niet afdoende, omdat dat onmiddellijk weer de vraag oproept: 'waarom wil je dat dan?' Oorzaken bepalen mijn wil, maar het maakt die wil daarmee nog niet tot een “onvrije wil”. Handelen uit vrije wil betekent niet dat er geen oorzaken te noemen zijn voor mijn gedrag. Het is eerder het tegenovergestelde. Handelen uit vrije wil betekent juist dat ik die oorzaken ken en kan noemen. Ik handel uit vrije wil als ik weet wat ik doe en het ook eens ben met wat ik doe. Stel dat ik bang word (gevolg) doordat ik een leeuw zie (oorzaak). Vervolgens ren ik weg (gevolg), omdat ik bang ben (oorzaak). Is mijn wil nu onvrij, doordat deze bepaald wordt door een keten van  gevolgen die noodzakelijk voortkomen uit bepaalde oorzaken? Nee, want als ik erover nadenk, begrijp ik dat ik bang ben voor een leeuw en ervoor wegren en vind ik het ook terecht dat ik bang ben voor een leeuw en ervoor wegren. Als ik echter bang zou worden voor een lieveheerstbeestje en ervoor op de vlucht zou slaan, zou ik waarschijnlijk niet goed begrijpen waarom ik op de vlucht sla en ik zou mijn gedrag ook moeilijk kunnen omkleden met redenen. Iemand die op de vlucht slaat voor lieveheerstbeestjes, handelt in die zin niet uit vrije wil. Zo iemand, zo zijn wij geneigd te zeggen, heeft een stoornis. Ook die stoornis wordt natuurlijk ergens door veroorzaakt, maar dat laat alleen maar zien dat niet alles wat gedetermineerd wordt ook een vrije wil heeft. Alle dingen en vrijwel alle levende wezens hebben geen vrije wil in dit deterministische universum.  Alleen levende wezens die dankzij het evolutieproces het vermogen hebben om na te denken over wat zij doen en daar ook redenen voor kunnen geven, hebben een vrije wil.  

Hierboven is duidelijk geworden hoe de compatibilist erover denkt: het Principe van Ultieme Oorzaak (PUO) kan niet bestaan in een deterministisch universum. Toch kan er een vrije wil bestaan. De wil hoeft namelijk niet de uiteindelijke oorzaak te zijn om toch te kunnen spreken van een vrije wil. Hoe zit het nu met het Principe van Alternatieve Mogelijkheden (PAM) dat luidt dat er alleen sprake kan zijn van vrije wil in het geval er ook anders gehandeld had kunnen worden? Is PAM wél noodzakelijk om van een vrije wil te kunnen spreken? En is het Principe van Alternatieve Mogelijkheden evenzeer uitgesloten in een deterministisch universum als het Principe van de Ultieme Oorzaak?
Zoals wij net gezien hebben, zijn compatibilisten meesters in het ontwaren en ontwarren van begripsverwarring. Wij denken doorgaans dat wij weten wat wij bedoelen wanneer wij spreken over zaken als “vrije wil, “controle” of “je had ook anders kunnen handelen”, maar als wij er beter naar gaan kijken, blijken deze woorden en zinnetjes voor meerdere interpretaties vatbaar. Dit is dan ook de strategie die compatibilisten toepassen met betrekking tot het Principe van Alternatieve Mogelijkheden (PAM).  Compatibilisten stellen dat PAM ruimte laat voor begripsverwarring, en daarom stellen zij de vraag: wat betekent het wanneer wij zeggen dat wij iets ook anders hadden kunnen doen? Neem het volgende voorbeeld van autorijden: Normaal gesproken als ik in de auto zit en op de snelweg iemand links wil gaan inhalen, kijk ik eerst in mijn achteruitkijkspiegel, dan in mijn linkerzijspiegel, dan links over mijn schouder en dan pas geef ik richting aan en schuif een baantje naar links. Ik weet dat ik dit kan doen, omdat ik dit al vele honderden keren gedaan heb, maar op een slechte dag rijd ik in de auto en ik zit met mijn gedachten zozeer bij het probleem van de vrije wil dat ik vergeet om over mijn linkerschouder te kijken voordat ik richting aangeef en naar links opschuif, met als gevolg dat ik niet doorheb dat er iemand links in mijn dode hoek zit die de schrik van zijn leven krijgt. Op het nippertje wordt een ernstig ongeluk voorkomen. Had ik, uitgaande van een deterministisch universum, in deze situatie nu anders kunnen handelen? In zekere zin is het antwoord op deze vraag: nee, ik had niet anders kunnen handelen dan ik deed, want er waren bepaalde oorzaken (ik zit met mijn hoofd bij een ingewikkeld filosofisch vraagstuk) die leiden tot een bepaald gevolg (ik had niet mijn volle aandacht bij het autorijden en daardoor vergeet ik over mijn linkerschouder te kijken). Dat ik met mijn hoofd bij een ingewikkeld filosofisch vraagstuk zit (gevolg) komt doordat ik op een bepaalde manier in elkaar zit en bepaalde dingen in mijn leven heb meegemaakt (oorzaken). Of korter gezegd: ik doe wat ik doe, omdat ik ben wie ik ben, maar aan wie ik ben, kan ik niets doen. In die zin had ik dus niet anders kunnen handelen. Toch heb ik sterk het vermoeden dat ik wél anders had kunnen handelen. Ik had toch gewoon even over mijn linkerschouder kunnen kijken of niet? Omdat ik weet dat ik het in die bepaalde zin anders had kunnen doen, word ik ook boos op mijzelf en maak ik mijzelf  verwijten. Als ik ervan overtuigd zou zijn dat PAM onwaar is, zou ik mijzelf ook geen verwijten maken. Het kon niet anders gaan dan het gegaan is, had ik dan gedacht. Ik moet het accepteren, had ik tegen mijzelf gezegd. Wij doen nu eenmalal wat wij doen omdat wij zijn wie wij zijn, en voor het feit dat wij zijn wie wij zijn treft ons faam noch blaam. Wij kunnen er niets aan doen. Wij zijn de machteloze hoofdrolspelers in een film die door de natuur gemaakt is. Op het script hebben wij geen enkele invloed, en dus zijn alle verwijten en gevoelens van spijt geheel misplaatst.
Wat zijn nu dus de twee verschillende antwoorden op de vraag: had ik in een deterministisch universum anders kunnen doen dan ik gedaan heb? Het eerste antwoord is: nee, je kunt onmogelijk iets anders doen dan je gedaan hebt. Harde deterministen en harde incompatibilisten die PAM categorisch afwijzen, stellen dat er geen zinvol onderscheid gemaakt kan worden tussen zaken die ik voor mijn gevoel gemakkelijk had kunnen doen, maar niet gedaan heb (even over mijn schouder kijken) en tussen zaken die ik onmogelijk had kunnen doen (de auto laten vliegen): beiden zijn even onmogelijk. Compatibilisten echter zijn geneigd om te zeggen dat een verschil bestaat tussen datgene wat ik had kunnen doen, als ik daarvoor had gekozen en datgene wat ik onmogelijk had kunnen doen, zelfs al had ik ervoor gekozen. PAM in deze tweede interpretatie staat niet haaks op het determinisme. Nog steeds is het zo dat alles wat gebeurt, gebeurt vanwege een oorzaak, en noodzakelijk had moeten gebeuren,  maar wat er bedoeld wordt met “ik had het ook anders kunnen doen” is dat ik in principe het vermogen had om anders te handelen. De vermogens die ik heb (het vermogen tot zintuiglijke waarneming, herinneren, associëren, redeneren, het vermogen tot voelen en meevoelen, het vermogen tot bewegen, enzovoorts) zijn niet uit het niets ontstaan. Nee, die vermogens zijn het product van een eeuwenoud evolutionair proces. Maar het is juist dankzij die vermogens (die ik dus aan een deterministisch universum te danken heb) dat ik in staat ben om bepaalde dingen te doen of juist niet te doen. Wat ik uiteindelijk doe, is ook weer deterministisch bepaald, maar dan nog steeds kan ik zinvol zeggen dat ik ook anders had kunnen doen, als ik tenminste anders gekozen had.
Laat mij een voorbeeld geven. Ik zie een oud vrouwtje bij een drukke weg staan, maar ik besluit om haar niet te helpen met oversteken, omdat ik haast heb. Later als ik eraan terugdenk, denk ik: ik had haar toch even moeten helpen. Dit is volgens compatibilisten een volkomen zinnige gedachte. Het had immers in mijn vermogen gelegen om dat te doen. Wat onzinnig was geweest, was als ik gedacht zou hebben: ik had die oude vrouw weer jong moeten maken, zodat ze niet meer bang is bij het oversteken. Een dergelijk vermogen om oude mensen weer jong te maken, heb ik namelijk niet. Volgens harde deterministen en harde incompatibilisten zouden beide gedachten echter even onzinnig zijn, want volgens hen had ik onder geen enkele voorwaarde anders kunnen handelen dan ik in feite heb gehandeld. 
Kortom, het Principe van Alternatieve Mogelijkheden kan volgens sommige compatibilisten dus bestaan in een deterministisch universum onder de voorwaarde dat daar simpelweg onder verstaan wordt dat je verschillende dingen kunt doen als die binnen je vermogens liggen. Voor datgene wat binnen je vermogens ligt, kun je ook verantwoordelijk gehouden worden.  Voor datgene wat niet binnen je vermogen ligt, kun je natuurlijk níet verantwoordelijk worden gehouden.
Eén vraag is echter wel opgeroepen, maar nog niet beantwoord: is PAM nu wel of niet noodzakelijk voor het kunnen bestaan van een vrije wil? Met uitzondering misschien van G.E. Moore zullen vrijwel alle compatibilisten stellen dat PAM niet noodzakelijk is voor het bestaan van een vrije wil. Wat nodig is om te kunnen spreken van een vrije wil is dat je onbelemmerd en zonder dwang datgene kunt doen wat jij wilt doen. Wat ook nodig is voor een vrije wil is dat je je bewust bent van wat je doet en dat je ook goedkeurt wat je doet. Wat tenslotte ook van belang is voor het hebben van een vrije wil is dat je met je geest verschillende toekomstscenario's kunt verkennen, en dat scenario kunt kiezen dat je op dat moment het beste lijkt. Zelfs als er vanuit een derde persoonsperspectief, het perspectief van de alwetende demon geen alternatieve mogelijkheden zijn, maar slechts één lange uitgerekte keten van oorzaken en hun gevolgen, dan nog is er een eerste persoonsperspectief dat niet anders kan dan zich een voorstelling maken van verschillende mogelijke toekomsten, om daar dan vervolgens de beste uit te kiezen. Een vantevoren bepaalde, gedetermineerde keuze ongetwijfeld, maar nog steeds één die wij uit vrije wil gemaakt hebben als wij tenminste onbelemmerd en zonder dwang tot onze keuze zijn gekomen. Wij hebben ook zonder PAM een vrije wil, omdat wij het vermogen hebben om ons verschillende toekomsten voor te stellen, en daar één uit te kiezen, zelfs waar er in werkelijkheid maar één toekomst bestaat en er ook in werkelijkheid geen echte keuzes bestaan, maar vantevoren vaststaande beslissingen. Vanuit het eerste persoonsperspectief blijft de reactie van Kierkegaard op Hegels filosofie van toepassing: dat het leven misschien alleen maar als je terugkijkt begrepen kan worden, maar dat het niettemin naar voren kijkend geleefd moet worden.   
Nog een laatste begrip verdient tot slot opheldering: verantwoordelijkheid. Ook hierover bestaat veel onduidelijkheid. Incompatibilisten denken dat verantwoordelijkheid niet kan bestaan in een deterministisch universum. Maar verantwoordelijkheid betekent letterlijk dat je het vermogen hebt om antwoord te geven op de vraag: waarom doe je wat je doet? Het kunnen aanvoeren van redenen voor je gedrag is echter niet iets dat los staat van het deterministische universum, maar is er juist afhankelijk van. Een goede redenering is immers vaak niets anders dan een afspiegeling van een causaal proces. Neem de redenering: als er een auto aankomt, steek ik niet over. Er komt een auto aan. Daarom steek ik niet over. De conclusie van deze redenering volgt noodzakelijk uit de premissen, en de premissen zelf beschrijven een causaal proces. Als vervolgens gevraagd wordt: "waarom steek je niet over als er een auto aankomt?", kan ik weer antwoorden in de vorm van een dergelijk syllogisme. Als ik oversteek als er een auto aankomt, word ik overreden. Ik wil niet overreden worden. Daarom steek ik niet over als er een auto aankomt. Redeneren is dus in zekere zin de causale werkelijkheid spiegelen in logische taal.
Hoewel het compatibilisme van de vier posities in het wijsgerige debat over de vrije wil het moeilijkste is om te begrijpen, is het compatibilisme meer in overeenstemming met de common sense opvatting dan je op het eerste gezicht zou denken. Voor – en tegenstanders van het determinisme vechten namelijk een gevecht in de veronderstelling dat het kennelijk wat uitmaakt als opeens wetenschappelijk bewezen zou worden dat bijvoorbeeld het harde determinisme waar is en er dus geen vrije wil zou kunnen bestaan. Stel je voor een moment nu even voor wat er zou gebeuren als het niet bestaan van de vrije wil wetenschappelijk bewezen zou worden – hetgeen de compatibilist natuurlijk niet gelooft, maar for the sake of argument doen wij nu gewoon even alsof zoiets mogelijk zou zijn –, wat zou er dan gebeuren? Zouden mensen de hele dag in hun bed blijven liggen wachten tot de toekomst zich noodzakelijk ging ontvouwen? Zouden zij ophouden met een keuze maken in een restaurant, omdat alles wat gebeurt toch al vaststaat? Zouden zij niet meer boos worden op het moment dat hun partners vreemd zouden gaan, omdat die er toch niets aan kunnen doen? Zouden zij zichzelf of anderen nooit meer verwijten maken over wat ze gedaan hebben, omdat ze weten dat er geen andere mogelijkheid was? Natuurlijk niet. Als mensen zitten wij nu eenmaal zo in elkaar dat wij anderen en onszelf in principe benaderen als wezens met een vrije wil die voortdurend keuzes moeten maken en verantwoordelijk zijn voor hun uitspraken en daden. Als je met een vriend aan het praten bent, denk je toch niet dat die vriend niet verantwoordelijk is voor wat hij zegt, en dat jij er niets aan kunt doen dat jij zegt wat jij zegt, omdat jullie allebei noodzakelijk zeggen wat de natuurwetten jullie dicteren om te zeggen? Het is niet alleen hoogst onaangenaam om zo te denken, het is onleefbaar. Alleen als mensen heel vreemd gedrag vertonen – als ze opeens heel boos worden op een appel bijvoorbeeld en jou proberen te overtuigen van de intrinsieke slechtheid van deze soort vrucht , alleen in dat soort gevallen ga je een persoon anders benaderen. Dan behandel je iemand niet meer als een intentioneel handelende persoon, je vraagt hem of haar niet meer naar de redenen voor zijn of haar opvattingen, maar je gaat op zoek naar de natuurwetenschappelijke of sociologische oorzaken daarvan. 
Laten we nu hopelijk enigszins duidelijk is geworden waarom een compatibilist denkt dat het determinisme te verenigen valt met de vrije wil, de vijf verschillende soorten compatibilisme die in hoofdstuk 2 genoemd worden nog eens wat nader onderzoeken.
Het eerste soort compatibilisme – het klassieke compatibilisme van Hobbes en Hume – stelt dat wij, zoals in het begin is gezegd uit vrije wil handelen als dat gebeurt uit inwendige oorzaken. Zolang wij niet gedwongen worden door externe oorzaken en zolang niets ons innerlijke verlangens in de weg staat, handelen wij uit ‘vrije wil”. Hobbes en Hume wijzen hiermee op een veelvoorkomende manier van spreken over “vrije wil”. Wij zeggen immers vaak dat iemand uit vrije wil handelt als diegene daar niet toe gedwongen werd en diegene zelfs ‘geen strobreed in de weg werd gelegd’ om te kunnen doen wat diegene wilde doen.
Het tweede soort compatibilisme – het conditioneel compatibilisme van Moore – stelt dat het Principe van Alternatieve Mogelijkheden (PAM) prima samen kan gaan met een deterministisch universum, als je onder PAM het vermogen verstaat om iets anders te doen, als wij daarvoor zouden kiezen. Alleen in zoverre als wij het vermogen hebben om bepaalde dingen te doen of niet te doen, kunnen wij daar ook verantwoordelijk voor gehouden worden. Dit sluit nauw aan bij hoe in de dagelijkse omgangstaal gesproken wordt over verantwoordelijkheid: wij houden iemand verantwoordelijk voor datgene wat binnen zijn mogelijkheden ligt, niet voor datgene wat daarbuiten ligt.
Het derde soort compatibilisme – het compatibilisme zonder alternatieve mogelijkheden van Frankfurt – maakt duidelijk dat wij elkaar en onszelf ook verantwoordelijk kunnen houden in het geval wij niet echt iets anders hadden kunnen doen. Eigenlijk het enige wat nodig is voor verantwoordelijkheid is, zoals wij hierboven hebben gesteld, dat je weet wat je doet en ook instemt met wat je doet. Het gaat er niet om dat je iets zowel wel als niet kunt doen. Het gaat erom dat de wil om iets te doen voortkomt uit jouzelf en niet de wil van een ander is.
Het vierde soort compatibilisme – het semi-compatibilisme of het compatibilisme op grond van vatbaarheid voor redenen van Fischer – beklemtoont dat je uit vrije wil handelt als je redenen kunt geven voor wat je doet. Ook hiervoor geldt dat de oorzaak om te handelen voortkomt uit innerlijke gemoedstoestanden en dat je weet wat je doet en instemt met wat je doet, want alleen dan kun je verantwoordelijk zijn in de zin dat je kunt antwoorden op de vraag: waarom doe je wat je doet?
Het vijfde soort compatibilisme – het compatibilisme op grond van reacieve attitudes van Strawson – stelt dat het metafysische debat of de vrije wil nu bestaat of niet eigenlijk een beetje onzinnig is. Wij, mensen zitten nu eenmaal zo in elkaar dat wij in het alledaagse leven naar anderen en naar onszelf kijken alsof wij een vrije wil hebben en verantwoordelijk zijn voor onze daden.  Gelukkig maar. Want niets is irritanter dan iemand die jou niet serieus neemt als iemand die uit vrije wil denkt wat hij denkt, zegt wat hij zegt en doet wat hij doet. Wat dat betreft zal het niet makkelijk zijn om een harde determinist te zijn in het dagelijks leven. Iemand die anderen benadert alsof ze gedetermineerde natuurprocessen zijn, zal niet veel vrienden hebben.          
Als allerlaatste dan nog deze overpeinzing over Nederlands beroemdste filosoof, B. de Spinoza, die het eindexamenonerwerp tot grote woede en droefheid van de vele Nederlandse Spinozafans wederom niet gehaald heeft. Hoe valt Spinoza te plaatsen in dit debat over de vrije wil tussen harde deterministen en libertaristen, harde incompatibilisten en compatibilisten? Het komt wellicht als een verrassing voor velen, maar Spinoza valt het beste te plaatsen onder de semi-compatibilisten waar ook Fischer en Dennett toe behoren. Hoezo dat dan? Spinoza is toch gewoon een harde determinist? Maakt hij niet glashelder in zijn Ethica dat de vrije wil niet bestaat, terwijl hij tegelijkertijd een causaal en logisch deterministisch wereldbeeld ontvouwt? Jazeker doet hij dat. Toch is Spinoza geen harde determinist, maar een compatibilist. [2] Vrij is volgens hem 'dat wat alleen krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat en alleen uit zichzelf tot werken wordt genoopt'. Wat hij bedoelt als hij stelt dat 'de vrije wil niet bestaat' is dat alleen God of de Natuur een Ultieme Oorzaak is (alleen God 'bestaat krachtens de noodwendigheid van zijn eigen aard') en dat de menselijke wil natuurlijk geen ultieme oorzaak is. Ook stelt Spinoza nadrukkelijk dat het Principe van Alternatieve Mogelijkheden onwaar is. God of de Natuur kan maar op één manier bestaan, en dat is het universum dat wij gedeeltelijk kennen en waar wij deel van uitmaken. God of de Natuur had geen andere wereld kunnen scheppen. Andere mogelijke universa bestaan niet. God kan niet anders kunnen handelen dan hij handelde, en wij mensen kunnen dat ook niet. Wat wij doen, volgt noodzakelijk uit de onze natuur en de wijze waarop de natuurwetten daarop inspelen. Hoewel de mens als een wezen dat veroorzaakt wordt door allerlei zaken buiten zichzelf nooit helemaal vrij kan zijn, kan hij wel in mindere of meerdere mate vrij zijn volgens Spinoza. De mens wint aan vrijheid in de mate dat hij 'uit zichzelf tot werken wordt genoopt', en daar dus niet door anderen toe gedwongen wordt of daarin wordt belemmerd. Dat is de eerste wijze waarop Spinoza vrijheid en determinisme weet te verenigen, door vrijheid te beschouwen als de afwezigheid van belemmeringen en dwang, en hierin komt hij dus overeen met het klassieke compatibilisme. De tweede manier waarop Spinoza determinisme en vrijheid verenigt, is door te stellen dat het tot het wezen van alle dingen in de natuur behoort dat zij trachten te volharden in hun eigen bestaan (conatus). Ook de mens begrijpt Spinoza als een wezen dat tracht te volharden in zijn bestaan. Hoe beter hij daar met behulp van de ratio in slaagt, hoe vrijer de mens volgens Spinoza is. Dus zou Spinoza het inderdaad eens zijn met bovengenoemde voorbeeld dat wij vrij zijn als wij gedetermineerd zijn om te vluchten voor gevaar, zoals wij ook vrij zijn als wij gedetermineerd zijn om te verlangen naar zaken als voedsel. Spinoza verenigt determinisme en vrijheid ook nog op een derde manier: hoe meer wij begrijpen van God of de Natuur, van de Goddelijke (natuur)wetten en het web van oorzaken en hun gevolgen waar wij deel van uitmaken, hoe vrijer wij zijn.  De hoogste vorm van kennis van God of de Natuur is een verenigd worden met God of de Natuur, waardoor wij even begrijpen waarom alles is zoals het is. Spinoza's visie op de vrije wil is complex, en daarom is het ook wel enigszins te begrijpen dat hij buiten het examenonderwerp gevallen is, maar het compatibilistische aan Spinoza is dus dat hij stelt dat wij vrij kunnen zijn in een gedetermineerde wereld. Let wel, evenals de meeste compatibilisten stelt Spinoza nadrukkelijk dat de traditionele opvatting van de vrije wil als een wil die zichzelf kan veroorzaken en een wil die verschillende mogelijke keuzes zou kunnen maken, niet kan bestaan, maar net zoals de hedendaagse filoof Daniel Dennett stelt Spinoza dat het helemaal niet erg is dat deze traditionele interpretaties van de vrije wil niet bestaan, omdat zij niet behoren tot de varianten van de vrije wil die de moeite waard zijn om naar te verlangen. Het soort vrije wil ("libertas"/"vrijheid" in Spinoza's terminologie) waar wij wel naar kunnen verlangen, is de bevrijding die komt door onszelf en anderen zo min mogelijk te dwingen of te belemmeren in onze ontplooiing, door met behulp van de rede in te zien wat in ons voordeel is, en door inzicht te verkijgen in de wetten van de natuur die ons veroorzaken en die maken dat wij datgene doen wat wij doen.


[1]   Het Principe van Ultieme Oorzaak wordt al beschreven door Aristoteles. In boek 3 van zijn Ethica Nicomachea behandelt Aristoteles de vrije wil als voorwaarde voor verantwoordelijkheid. Iemand handelt niet uit vrije wil als diegene tot iets gedwongen wordt of iets doet uit onwetendheid (1109b 36). De meeste handelingen doen mensen echter uit vrije wil, een mens handelt dan ‘uit eigen beweging’ (1110a16) en ‘de oorsprong van de handeling ligt dan in de handelende persoon’ (1110b5). Aristoteles concludeert: ‘Een handeling is dus kennelijk gedwongen als zij een oorsprong heeft die van buiten komt en waaraan de persoon die ertoe gedwongen wordt part noch deel heeft.’ (1110 b18)
Opvallend is dat Aristoteles – anders dan in het examenboek wordt gesteld – in dat derde boek van de Ethica juist ingaat tegen het socratisch-platoonse dictum dat de mens alleen kwaad doet uit onwetendheid. ‘De mens is werkelijk verantwoordelijk voor zijn eigen karakter en ook voor de voorstelling die hij zich van het goede maakt, en daarom is hij ook verantwoordelijk voor zijn daden’, schrijven Pannier en Vehaeghe in hun commentaar bij de Nederlandse vertaling van de Ethica (Historische Uitgeverij, 1999, p. 77). Het is volgens Aristoteles zelf ‘onlogisch om te beweren dat wie onrechtvaardig handelt niet onrechtvaardig wenst te zijn of wie onmatig handelt niet onmatig wenst te zijn.’  (1114a14). Niet dat men, als men eenmaal door slechte gewoontes een slecht karakter heeft ontwikkeld van de ene op de andere dag kan stoppen met het slechte gedrag. ‘Over onze handelingen zijn van het begin tot het einde meester, maar wat onze karakterhouding betreft zijn we alleen meester over het begin.’ (114b32) 
Voortreffelijkheid (deugdzaamheid) en slechtheid hangen volgens Aristoteles van onszelf af, omdat het in onze macht ligt te handelen of ook niet te handelen. De mens staat niet alleen aan de oorsprong van zijn handeling, maar is ook nog eens in staat tot het maken van een keuze. Hij kan het juiste kiezen, waarvoor hij lof verdient, en hij kan het slechte kiezen, waarvoor hij blaam verdient.  Aristoteles: ‘het ligt in onze macht goed of slecht te zijn.’ (1113b14)




[2] Ik baseer mij hier vooral op het artikel van Anton Jumelet: Vrijheid en verantwoordelijkheid. Noodzaak, vrije wil en moraliteit in Spinoza’s Ethica. (Hier na te lezen: http://www.benedictusdespinoza.nl/lit/Jumelet_Vrijheid.pdf). Hoewel ik het wel aardig vond om hier in navolging van Jumelet een tegendraads statement te maken en hard te stellen dat Spinoza een compatibilist is, ben ik daar, als ik eerlijk ben, toch niet helemaal zeker van, reden waarom ik ook schrijf dat ik er wel enig begrip voor heb dat Spinoza niet in dit examenonderwerp is opgenomen. Het is duidelijk dat Spinoza denkt dat men vrij kan zijn in een gedetermineerd universum en in die zin is hij compatibilist te noemen. In zijn Politieke Verhandeling stelt hij dat een mens vrij genoemd kan worden in de mate hij de macht heeft om te bestaan en te handelen conform de wetten van de natuur. (Politieke Verhandeling 2-7) Spinoza was het nadrukkelijk niet eens met het idee dat een mens zich bewust is van de oorzaken waardoor hij wordt voortgedreven. Wij denken dat wij die oorzaken kennen, maar in werkelijkheid zijn wij ons alleen maar bewust van onze verlangens, niet van de oorzaken voor onze verlangens. Of in de woorden van Spinoza: ‘In de Geest is er geen absolute of vrije wil, maar de geest wordt tot het willen van iets aangezet door een oorzaak die op zijn beurt ook door een ander is aangezet, en deze weer door een andere, en zo tot in het oneindige.’  (Ethica II, prop48.) De voornaamste reden voor mijn twijfel aan Spinoza’s compatibilistische positie is Spinoza’s antwoord op een vraag van Oldenburg wat voor plaats er over blijft voor schuld en straf in een universum dat volledig door natuurwetten gedetermineerd wordt. (Brief 402). Spinoza’s antwoord luidt dat het even dwaas is als de cirkel zou klagen dat hem niet de eigenschappen van een bol gegeven zijn als dat de mens met een onbeheerst gemoed klaagt dat hij zijn eigen emoties niet in de hand heeft. Wat hij hier volgens mij mee bedoelt te zeggen, is dat (ietwat kort door de bocht misschien) misdadigers er ook niets aan kunnen doen dat ze misdaden plegen, evenmin als dat een cirkel er wat aan kan doen dat deze rond is. De naar mijn mening terechte reactie van Oldenburg: ‘Het lijkt toch wel bijzonder wreed dat God de mensen aan eeuwige, of zo ze al tijdelijk zijn, aan gruwelijke folteringen prijsgeeft vanwege zonden die ze op geen enkele wijze hadden kunnen vermijden’ (Brief 422) geeft aan waarom ik ook mijn twijfels heb aan Spinoza’s compatibilisme.

maandag 25 juli 2011

Breivik, spiegelbeeld van Bin Laden

Op 1 oktober 2001 schreef ik in Trouw de volgende zinnen naar aanleiding van de aanslagen op de Twin Towers: ,,Wie tegen monsters vecht, moet uitkijken zelf geen monster te worden'', schreef Friedrich Nietzsche. President Bush zal dit als leider van de internationale coalititie tegen het terrorisme in zijn oren moeten knopen. Om te voorkomen dat hij het spiegelbeeld wordt van Osama Bin Laden, moet hij laten zien dat dit geen 'kruistocht' tegen de islam is, en dat de VS -in tegenstelling tot de terroristen die zij willen bestrijden- wél respect hebben voor het leven. Ondertussen geldt voor ons, simpele burgers, ook nog de andere helft van Nietzsche's waarschuwing: ,,Als je in de afgrond kijkt, dan kijkt die afgrond ook in jou.'' Wie, met andere woorden, zijn leven laat beheersen door haat en angst, geeft terroristen het laatste woord.''
De terreur in Noorwegen van afgelopen vrijdag deed mij weer aan deze woorden denken.
Eerst even een voorbehoud. Natuurlijk valt Breivik niet zinvol onder te verdelen in de categorie 'wereldleiders' of  in die van 'gewone burgers'. In zijn eigen hoofd is hij belangrijker dan beiden, een verlosser, iemand die de verzamelde wereldpers kan 'uitleggen' waarom het 'noodzakelijk' is om massaal kinderen af te slachten.
De andere elementen in bovenstaand citaat geven echter in de vorm van waarschuwingen aan het adres van de toenmalige Amerikaanse president Bush precies die dingen weer die Breivik in de wind geslagen heeft: je spiegelen aan het terrorisme van Al Kaida, het je vereenzelvigen met de kruisridders en het volkomen disrespecteren van menselijk leven.
Het is geen toeval of domheid dat zoveel media - het NRC Handelsblad had zaterdag nog een groot artikel over de betrokkenheid van Al Kaida bij de aanslagen - meenden dat deze terreurdaad het werk van radicale moslims was. Breivik spiegelde zich aan jihadistische terroristen. De moordpartij op het eiland Utoya was zijn persoonlijke 9/11. Net zoals de islamitische zelfmoordterroristen vond deze "conservatieve christen" dat hij zichzelf vanwege zijn rol als martelaar wel mocht tracteren op dure flessen wijn en tophoeren. Deze lichte zonden zouden hem absoluut vergeven worden in het licht van zijn fantastische martelaarsoperatie.
Omdat Breivik in zekere zin het spiegelbeeld vormt van het islamistisch terrorisme, is het goed om, bij de reacties op deze gruweldaad, even te kijken hoe deze zich verhouden tot de reacties op die andere gruweldaden. Zo is het vreemd als mensen wel het gedachtegoed van islamitisch terroristen een belangrijke factor vinden in het verklaren van islamitisch terreur pertinent weigeren om na te denken of er mogelijk ook iets in het rechtse gedachtegoed zit dat aanleiding kan geven tot terreur. En zo is het ook vreemd dat mensen die na de moord op Foruuyn schamperden over diegenen die meenden dat "de kogel van links kwam" nu wel menen het recht te hebben om te zeggen dat "de kogel van rechts kwam". Ik pleit dus voor een zekere mate van symmetrie - een belangrijk bestanddeel van rechtvaardigheid. Mensen die zich opwonden dat over Mohammed Bouyeri aanvankelijk in de media werd weggezet als "een gek" moeten niet hetzelfde doen ten aanzien van deze Anders Breivik. Als Jagland, de voorzitter van het Nobelprijs committee, oproept om het niet meer over "islamitisch terrorisme" te hebben, omdat niet alle moslims terroristen zijn, zou je toch ook denken dat je om dezelfde reden niet zou mogen spreken over "extreem-rechtse terreur"? Wat mij verbaast, is hoe mensen deze wetten van de symmetrie zo makkelijk overtreden.
De wetten van de symetrie geven ook een indicatie waar het debat nu over zou moeten gaan. Na de aanslagen van 11 september kwam de vraag op of er iets fundamenteel en radicaal mis is met de islam waar de daders zich door hadden laten inspireren, en wat de grenzen zijn van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst. Zo komt nu de vraag op of er iets fundamenteel en radicaal mis is met het ' cultureel conservatisme' waar Breivik zich door liet inspireren, en (opnieuw) wat de grenzen zijn van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst. Na de aanslagen van 11 september kwam de vraag op "waarom haten zij ons?", en de twee belangrijkste antwoorden die erop gegeven werden,waren dat zij (1) ons haten vanwege wat wij gedaan hebben door corrupte Arabische regimes en de Israëlische bezetting te steunen en (2) dat zij ons haten om wie wij zijn, namelijk niet-islamitisch en toch welvarend, vrij, machtig en relatief gelukkig. Nu komt de vraag op of de haat van Breivik jegens de westerse politieke elite nu voortkomt uit (1) wat deze elite gedaan heeft door grote groepen islamitische migranten toe te laten en het spreken over de problemen die dat met zich meebrengt te dwarsbomen door middel van de politieke correctheid of dat deze het gevolg is van (2) de invloed die uitgaat van de denkbeelden van politici als Geert Wilders en van bloggers als Robert Spencer of  dat deze het beste begrepen kan worden als (3) de behoefte van een zich vervelende, richtingsloze gamer om iets of iemand te haten en ergens voor en ergens tegen te strijden.
De vraag of er iets fundamenteel en radicaal mis is met het cultureel conservatisme is een gerechtvaardigde, omdat Breivik zichzelf een cultureel conservatief noemt en zijn gruwelijke daden verdedigt met een beroep op het cultureel conservatisme. Wat Breivik gemeen heeft met vrijwel alle cultureel conservatieven is dat hij vindt dat het Westen de verworvenheden van de joods-christelijke cultuur moet verdedigen tegen het communisme, het politiek-correcte multiculturalisme en de oprukkende islam. Toch is Breivik geen cultureel conservatief te noemen. Anders dan cultureel-conservatieven gelooft hij immers dat het doel de middelen heiligt. Een cultureel conservatief herkent hier 'de utopische verleiding': de gedachte dat de hedendaagse generatie te beschouwen is als 'mest op de velden van de toekomst' (Lenin).
Sommigen zien in de terreurdaden van Breivik het bewijs dat Geert Wilders - waar Breivik bewonderend over schrijft - ten onrechte niet veroordeeld is door de Nederlandse rechtbank wegens het zaaien van haat. De waarschijnlijk kleine honderd doden die Breivik op zijn geweten heeft, zouden in deze redenering de oogst van deze haat zijn. Maar hoewel er wel overeenkomsten zijn in de doelen die Breivik en Wilders nastreven en de vijanden die zij daarbij aanwijzen, is er een heel duidelijk verschil als het gaat om de middelen die aangewend worden om dat doel te bereiken. Waar Wilders de democratische en geweldloze weg bewandelt, stelt Breivik niet meer in de democratie te geloven, en dat het beter is om te veel dan om te weinig slachtoffers te maken. Uiteindelijk, zo maakt Spinoza duidelijk in zijn Theologisch Politiek Traktaat, moeten we iemand niet beoordelen op wat hij denkt of wat hij zegt, maar op wat hij doet. Breivik laat zich in zijn eigen gruwelijke daden en in zijn aansporingen tot het plegen van terreuraanslagen op "soft targets" en het plegen van terreuraanslagen met behulp van massavernietigingswapens kennen als iemand die zich in zijn handelen laat inspireren door Al Kaida, niet door Geert Wilders.
Rest nog de vraag waarom hij deed wat hij deed? Moeten wij nu uit deze gruweldaad concluderen dat het huidige migratiebeleid mensen zoals Breivik tot 'wanhoop' leidt (het spiegelbeeld van wat vaak gezegd is over Palestijnse terroristen die aanslagen pleegden op Israëlische soft targets)? Of moeten wij eruit concluderen dat wij veel waakzamer moeten zijn tegen mensen die haat zaaien in het publieke debat (het spiegelbeeld van de oproep om waakzamer te zijn ten opzichte van de predikers van de islam)? Omdat wij niet in de geest van Breivik kunnen kijken, blijft het natuurlijk gissen naar het antwoord op deze vragen. Wat echter opvalt in het filmpje en in het dagboek dat hij op het internet heeft gezet, is hoezeer hij gericht is op spanning (het bestrijden van verveling). Hij heeft het op verschillende plaatsen in zijn dagboek over hoe saai de dingen zijn. Vandaar dat hij zijn toevlucht neemt tot de wereld van de game.
Dat verklaart ook de waanzinnig overkomende obsessie met kruisridders. In de fantasiegame van Breivik is de huidige wereld het strijdtoneel waarin je als speler kan kiezen tot welk kamp je behoort: tot de jihadi's of tot de kruisridders (politiek-correcten zijn te saai om voor te kiezen, die kun je gewoon naar willekeur afknallen).
De kilte waarmee hij zeker 78 kinderen en jongeren heeft doodgeschoten - van achteren, terwijl zij voor hem wegrenden of wegzwommen, van dichtbij door het hoofd, terwijl zij probeerden om zich dood te houden - getuigt van een extreem gebrek aan empathie. In de wereld van de game is die empathie weg, daarin gaat het alleen om MIJ.
Hoe christelijk is deze psychopathische, gamende en steroïden slikkende narcist die van zichzelf schrijft dat hij nu een "perfect lichaam" heeft? Hoe cultureel conservatief is deze utopische revolutionair die het heeft over een "nieuw begin" in het jaar 2083?  Ik zou zeggen: hij is er in alle opzichten het omgekeerde van.
Als Breivik, de Don Quichotte van de eenentwintigste eeuw, in de spiegel kijkt, ziet hij Osama Bin Laden.

zondag 30 januari 2011

Tijd om te stoppen met herdenken?


You who live safe
In your warm houses,
You who find, returning in the evening,
Hot food and friendly faces:
Consider if this is a man
Who works in the mud
Who does not know peace
Who fights for a scrap of bread
Who dies because of a yes or a no.
Consider if this is a woman
Without hair and without name
With no more strength to remember
Her eyes empty and her womb cold
Like a frog in winter.
Meditate that this came about:
I commend these words to you.
Carve them in your hearts
At home, in the streets
Going to bed, rising
Repeat them to your children
Or may your house fall apart
May illness impede you
May your children turn their faces from you.

Hier wordt het herdenken van de Sjoa niet beargumenteerd, maar dwingend opgelegd. Primo Levi formuleert een nieuw gebod, een categorische imperatief: Gij zult de Sjoa herdenken. Degenen die zich niet aan deze morele plicht om te herdenken houden, worden vervloekt. Waarom doet hij dit? Als overlevende wil hij voorkomen dat al die doden vergeten worden, omdat opgenomen worden in de vergetelheid in plaats van in het geheugen, een overwinning zou betekenen van het nazisme. De filosoof Walter Benjamin schreef in zijn thesen over het begrip van de geschiedenis dat ‘ook de doden voor de vijand niet veilig zullen zijn als deze zegeviert’. De figuur van de historicus verschijnt zo niet als de nieuwsgierige, neutrale wetenschapper, maar als een strijder in de strijd om het geheugen. Zo hebben de Joden zich tegen de Holocaust verdedigd: niet door te vechten, maar door de geschiedenis op te schrijven en te vertellen.

Uiteindelijk, zo moeten wij constateren, is het woord krachtiger geweest dan de vernietigingskampen. Want de getuigenissen zijn gebleven, terwijl de gaskranen zijn dichtgedraaid. Hoewel één derde van het Joodse volk met de Sjoa vernietigd werd, slaagden de nazi’s er niet in om de herinneringen en de getuigenissen te vernietigen. En zo komt het dat wij, in onze tijd, de woorden van Primo Levi in onze harten hebben gekerfd en steeds herhaald hebben aan onze kinderen, precies zoals Levi ons had opgedragen om te doen. In die zin zou je kunnen zeggen, hebben de Joden, ondanks alle doden, over de nazi’s gezegevierd. De ironie van de geschiedenis toont zich hierin dat de vrucht van deze overwinning zich niet al te zoet laat smaken: de herinnering aan de Sjoa wordt tegenwoordig als wapen tegen het Joodse volk gebruikt.

Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Belangrijk is het proces geweest, waarin mensen, vaak vanuit de beste bedoelingen en ook niet helemaal ten onrechte, getracht hebben om de Sjoa een universele betekenis te geven: het moest niet alleen maar gaan over Joden, jodenhaat en jodenvervolging, maar over mensen, onverdraagzaamheid in het algemeen en oorlog in het algemeen. Op zichzelf lijkt dit een uitstekend idee, maar de stap van ‘vervolging en genocide is niet iets van de Joden alleen’ naar ‘de Joden moeten niet denken dat zij zo bijzonder zijn met hun Sjoa’ bleek snel gezet. De rabbijn van Lelystad ondervond dit op 4 mei 2002 toen hij van het plaatselijke 4 mei comité het kaddisj – het traditionele joodse gebed voor de doden - niet meer mocht opzeggen, omdat andere groepen in onze multiculturele samenleving daar aanstoot aan zouden kunnen nemen.

Van belang bij het herdenken van de Sjoa is het stilstaan bij de eeuwenoude jodenhaat, een hardnekkig fenomeen dat zich – anders dan regelmatig gesteld wordt - niet beperkt tot de christelijke wereld, maar ook speelt in de wereld van de islam. Een belangrijk deel van die jodenhaat komt voort uit de problematische verhouding die de twee universalistische godsdiensten van christendom en islam, twee godsdiensten die vanuit hun aard het liefst de hele wereld tot hun geloof zouden willen bekeren, hebben met de particularistische religie waar ze uit voortgekomen zijn: het geloof van het Joodse volk. Het universalistische karakter van christendom en islam kan deze Joodse wens naar een eigen plaats onder de zon om daar hun eigen religie te belijden echter niet goed honoreren. De koppige Joden die vasthouden aan hun eigen geloof zouden moeten inzien dat God met een nieuwe boodschap is gekomen met een universele strekking die ook de Joden aangaat: zij mogen met andere woorden niet in hun oude religie blijven hangen, maar moeten bekeerd worden tot de nieuwe, verbeterde, universele variant. Iets soortgelijks is gebeurd met de manier waarop wij de zes miljoen van de Sjoa herdenken. De universele boodschap die alle mensen betreft, moest zegevieren over de particuliere boodschap die slechts de Joden betrof, en nieuwe verhalen over menselijk leed moesten in de plaats komen van het oude verhaal over de massamoord op de Joden.

Van belang ook is de irritatie over dit door God ‘uitverkoren volk’, er is vaak sprake van een zekere jaloezie. In onze tijd betreft die jaloezie zelfs iets waar het schijnbaar onmogelijk van is om jaloers over te zijn: de Holocaust. Zo kan het dat er nu bijvoorbeeld niet meer gesproken wordt over de Holocaust, maar over Holocausts in het meervoud. Twee van die Holocausts speelden een hoofdrol tijdens de racisme conferentie van de VN in Durban in 2001. Ten eerste ging het daar over  de ‘zwarte Holocaust’ ofwel de negerslavernij. Getracht werd om Europa en de Verenigde Staten in de rol van nazi’s te dwingen om zo herstelbetalingen te kunnen eisen voor Afrikaanse landen. Het aandeel dat moslims en Afrikanen zelf gehad hebben in het totstandkomen van de negerslavernij werd verzwegen. Ten tweede ging het in Durban over de Palestijnse Holocaust ofwel de ‘Nakba’ van 1948. Getracht werd hier om de zionisten (‘zionisme is racisme’) tot nazi’s te maken en de Palestijnen tot de nieuwe Joden. Ook hier speelt op de achtergrond de gedachte dat de Holocaust voor de Joden bijzonder lonend is geweest. De Joden hebben volgens de Arabieren immers de staat Israël gekregen van de internationale gemeenschap vanwege de Holocaust (een vertekening van de geschiedenis die niettemin ook door steeds meer Europeanen onderschreven wordt). De gedachte is dat als duidelijk wordt dat de Joden zelf een nieuwe Holocaust begaan tegen de Palestijnen die staat hen ook weer afgepakt kan worden en aan de Palestijnen kan worden gegeven. 


Het Palestijnse wensdenken krijgt steeds meer bijval vanuit het Westen. De steun voor de staat Israël in Europa kalft af. Dit proces van verwijdering tussen Israël en Europa heeft ook weer alles te maken met de verwerking van de Tweede Wereldoorlog. De Joden en de Europeanen trokken tegenovergestelde conclusies uit wat er was gebeurd. De Europeanen trokken er de les uit dat verknocht zijn aan je eigen land of je eigen mensen slecht is, dat nationalisme iets gevaarlijks is, dat militarisme iets verschrikkelijks is en dat we moeten streven naar multi-etnische en multi-religieuze verdraagzaamheid en naar Europees federalisme als de eerste stap op weg naar wereldburgerschap. De Joden trokken er de les uit dat niemand het voor hen opnam, en dat ze daarom behoefte hadden aan een eigen nationale staat met een eigen leger. En precies dat wordt hen nu verweten. Het oude antisemitisme van Céline en de nazi’s verweet de Joden hun kosmopolitisme en hun gebrek aan vaderland, stelt de Franse filosoof Alain Finkielkraut. Het nieuwe linkse antisemitisme verwijt de Joden juist dat zij te zeer op zichzelf gericht zijn, hun ‘te veel’ aan vaderland.


De haat jegens de Joden - 'risjes' - is kortom niet verdwenen door het herdenken van de Holocaust. Het wordt er tegenwoordig juist door opgeroepen. 

dinsdag 25 januari 2011

Afganistan: Blijven of Wegwezen?


Onderstaand stuk schreef ik drie jaar geleden voor Opinio. Naar mijn idee zijn de argumenten van Arend Jan Boekestijn en Hans Achterhuis onverminderd actueel. Volgens Boekestijn staan in Afghanistan onze eigen nationale belangen op het spel. Het grootste gevaar volgens hem is dat we het gevaar onderschatten dat van het islamistisch geïnspireerd terrorisme uitgaat. Volgens Hans Achterhuis moet allereerst geconstateerd worden dat de politiek nooit eerlijk heeft gezegd dat het Nederlandse leger niet uit idealistische en morele overwegingen naar Afghanistan is afgereisd. Volgens Achterhuis is het grootste gevaar dat wij in Afghanistan worden meegesleurd in een moeras.

Arend Jan Boekestijn: Ik ken en waardeer uw positie, en ik betwijfel of wij werkelijk zozeer van mening verschillen. U beroept zich in uw denken vooral op Hannah Arendt en Niccolo Machiavelli, twee realistische politieke filosofen die beiden beducht waren voor te veel idealisme in de politiek, en stelt dat Nederland zich in haar buitenlandse beleid te zeer laat leiden door goede bedoelingen. U pleit daarom voor een gevolgenethiek in plaats van een ethiek waar alleen gekeken wordt naar de intenties. Laat mij daar alleen aan toevoegen dat het vooral links is die hiermee onder kritiek wordt gesteld. Het is links dat altijd het hart benadrukt dat op de juiste plaats moet zitten. Het zijn linkse politici in de Tweede Kamer die een beslissing op het terrein van de buitenlandse politiek pas steunen als die in hun ogen vanuit zuiver morele bedoelingen wordt genomen. Liberalen en conservatieven kijken daarentegen liever naar de consequenties. Zij maken een nuchtere analyse. Wat levert het ons op? Wat kost het ons? Als conservatief liberaal heb ik dan ook niet het idee dat uw kritiek mij treft.

Hans Achterhuis: U heeft gelijk dat mijn kritiek historisch gezien vooral een kritiek is op links idealisme. Maar het kan u niet ontgaan zijn dat dit idealisme momenteel is overgenomen door neoconservatieven. Het verbaast me daarom dat u zegt dat conservatieven nuchter naar consequenties kijken. Die nuchtere, berekenende toon is mij niet opgevallen in de discussies over Afghanistan. Als redenen om onze troepen daarheen te sturen, werden steeds nobele en verheven idealen genoemd: het verspreiden van de democratie, het opbouwen van het land en het beschermen van universele mensenrechten. Dat vind ik allemaal nogal vaag klinken. Mijn voornaamste kritiek op voorstanders van de militaire missie in Afghanistan is dan ook dat ze geen concrete en haalbare doelen stellen die op afzienbare termijn kunnen worden gerealiseerd. Daardoor kunnen wij niet evalueren hoe het er nu werkelijk voorstaat met onze militaire inspanningen daar. Boeken we enig succes of niet? Zonder duidelijk omschreven doel kun je dat nooit aantonen, en dreigen we te worden meegesleurd in een moeras á la Vietnam. Of een moeras á la Irak, waar het aanvankelijke concrete doel van het uitschakelen van Saddams vernietigingswapens al snel plaatsmaakte voor het vage en verre doel van de democratisering van het Midden-Oosten en de strijd tegen het terrorisme.

Boekestijn: Ik ben het er helemaal mee eens dat je haalbare en concrete doelen moet stellen, al is het politiek incorrect om dat te zeggen. Politiek correct is zeggen dat we van Afghanistan een vreedzaam en welvarend democratisch land willen maken. Helaas is dat een utopie, een droom. Afghanistan is een tribale samenleving, waarvan het sociale weefsel kapot is gemaakt door al het vreselijke geweld dat daar de afgelopen decennia gewoed heeft. Daardoor is het een onoverzichtelijk en moeilijk te besturen land geworden. Zelf heb ik dan ook nooit geloofd in de neo-conservatieve notie dat wij democratie kunnen exporteren naar Afghanistan. De VVD heeft er ook nooit twijfel over laten bestaan dat ons doel in Afghanistan is het voorkomen dat de Taliban weer de macht grijpen. Slagen wij daar niet in, dan krijg je weer een Afghanistan waarin jongens in Al Kaida trainingskampen klaargestoomd worden om onze beschaving te vernietigen. Het is dus in ons eigen, nationale belang om dat niet te laten gebeuren. Ook het vorige kabinet heeft er in de december brief van 2005 geen misverstand over laten bestaan dat het hier in de eerste plaats een vechtmissie betrof ondersteunt door opbouw. Het is vooral de PvdA geweest die het opbouw element heeft benadrukt om haar eigen achterban over te halen in te stemmen met de missie.

Achterhuis: Ik juich het toe dat u zo eerlijk zegt dat wij daar zitten vanwege onze belangen en niet vanwege hoogstaande morele idealen. Maar in de Tweede Kamer wordt dat door u en uw partij niet zo gezegd. En zo lang deze werkelijke redenen niet genoemd worden, zal ook het werkelijke politieke debat niet gevoerd kunnen worden. Ik daag u dan ook uit om namens de VVD ook in de Kamer te zeggen dat de missie in Afghanistan niets te maken heeft met humanitaire hulpverlening.
Tegelijkertijd suggereert u dat de Taliban en Al Kaida hetzelfde zijn. Volgens mij streven ze verschillende doelen na: Al Kaida strijdt tegen het Westen, de Taliban willen een islamitische staat van Afghanistan maken. Die ideologie van de Taliban vond ik al verschrikkelijk in de jaren tachtig toen de Taliban door het Westen in het zadel werd geholpen en veel VVD’ers in de Taliban goede bondgenoten zagen in de strijd tegen de Russen, dus kom bij mij niet aanzetten met het verhaal dat die Taliban nu zo vreselijk zijn.  

Boekestijn: De VVD heeft altijd gezegd dat het hier om een vechtmissie gaat. En wat betreft uw andere punt: natuurlijk bestaan er verschillen tussen de Taliban en Al Kaida. Al Kaida kreeg echter wel in het Afghanistan van de Taliban alle ruimte om trainingskampen op te zetten. Daar is een goede reden voor. Hun ideologieën zijn, anders dan u denkt, niet alleen maar verschillend van elkaar. Beide wijzen niet-islamitische beschavingen geheel af. De Taliban hebben niet voor niets de oude Boeddistische beelden vernietigd. Net zoals Bin Laden nu zegt dat hij het terrorisme in Irak zal stoppen als alle Amerikanen moslim worden.
Maar uw uitdaging kan ik rustig aanvaarden. Het is geen probleem voor mij om in de Kamer te zeggen dat het in Nederlands nationale belang is om in Afghanistan te blijven. Maar ik zal ook in de Kamer zeggen dat er humanitaire redenen zijn om de burgers van Afghanistan te beschermen tegen de wreedheden en de mensenrechtenschendingen van de Taliban. Een voorbeeld: de Taliban hebben de stad Chora een paar weken in handen gehad, totdat de Nederlanders ze na een hard gevecht hebben weten te verjagen. De Taliban hebben daar verscheidene mannen opgehangen, van vrouwen hebben ze de oren afgesneden. De mensen daar zijn dankbaar dat we de Taliban hebben verdreven. Het standpunt van mijn partij is overigens dat Nederland de missie niet alleen moet blijven doen. Andere NAVO-landen moeten ook hun steentje bijdragen, zonder hun hulp kan de missie niet voortgezet worden. En als er geen extra geld wordt vrijgemaakt voor de krijgsmacht, mag de missie van mijn partij ook niet worden voortgezet. Gevolgenethiek betekent hier ook dat ik onze soldaten niet op een onmogelijke missie ga sturen.

Achterhuis: Als we besluiten om in Afghanistan te blijven, dan moeten we inderdaad ook meer steun krijgen van andere NAVO-landen en dan moeten we ook niet gaan bezuinigen op de krijgsmacht. Maar de vraag is of wij daar wel moeten blijven. Het verhaal dat de mensen in Afghanistan zo blij zijn met de komst van het Nederlandse leger geloof ik namelijk niet. Waarom kunnen onze jongens anders nauwelijks van de kazerne afkomen? Als de bevolking werkelijk zo blij zou zijn met de komst van de NAVO-troepen, dan zouden ze de soldaten wel uitnodigen om in hun steden, dorpen en huizen te komen. Maar de realiteit is dat de soldaten doodsbang zijn om de kazerne uit te komen. En terecht. Je weet namelijk niet wie je vijand is. Je weet nooit wie je opeens kan gaan beschieten of wie zich opeens op kan blazen. Daardoor kan er ook in het wilde weg geschoten worden. Zoals laatst toen een auto niet meteen stopte. Twee onschuldige mensen werden door Nederlandse militairen doodgeschoten die om geheel begrijpelijke redenen in paniek raakten en niet meer in staat waren om op armen of benen te schieten. Maar hoe menselijk zulke reacties ook zijn, door dergelijke incidenten zorg je er wel voor dat de macht van de Taliban groeit in plaats van afneemt. Macht moet je namelijk volgens Hannah Arendt scheiden van geweld. Macht betekent dat je daadwerkelijk steun van de bevolking hebt. Geweld heb je meestal pas nodig op het moment dat je macht begint af te brokkelen.

Boekestijn: In Afghanistan vallen macht en geweld niet zo makkelijk te scheiden. De bevolking wil vooral één ding: overleven. Daartoe kiezen ze de partij van de sterkste. Wij zullen in Afghanistan dus van de Taliban moeten winnen. Hoe doen we dat? De militair historicus Martin van Creveld onderscheidt daartoe twee effectieve methoden. De Syrische methode houdt in dat je antwoord op terreur is om een complete stad met de grond gelijk te maken. U zult het met mij eens zijn dat wij te beschaafd zijn voor deze Syrische benadering. Optie twee is om heel chirurgisch te werk te gaan, en alleen de intelligente leiders uit te schakelen. Het Nederlandse leger kiest voor de tweede optie. Onze militairen schieten niet in het wilde weg. Waar u het over heeft - de twee Afghanen die doorreden na waarschuwingsschoten en gedood werden - is een betreurenswaardig incident. Helaas gebeuren dit soort dingen maar het zou onjuist zijn om onze soldaten uitsluitend op basis van dit soort incidenten te beoordelen. U lijkt te kiezen voor een utopisch moreel perfectionisme. Niet alleen het doel moet moreel hoogstaand zijn maar ook alle middelen. Dat kan helaas niet. In een oorlog worden altijd fouten gemaakt. Waar het om gaat is dit: zonder veiligheid is er geen opbouw en zonder opbouw is er geen veiligheid. Onze missie is dus zowel humanitair als militair.

Achterhuis: Met iedere burger die in Afghanistan door Navo-troepen gedood wordt, zal het verzet tegen de Navo troepen toenemen. In die zin zorgt het geweld ervoor dat onze macht afneemt. Arendt schreef over het verschil tussen macht en geweld in de context van de Vietnam oorlog. De Amerikanen probeerden toen met grof geweld Vietnam voor de vrije wereld te winnen. Daar hoort ook die roemruchte uitspraak bij: ‘Wij moesten het dorp vernietigen om het te bevrijden.’

Boekestijn: Geweld is soms helaas noodzakelijk. Veel mensen in Nederland beseffen niet hoe ernstig de situatie is. We moeten echt voorkomen dat de hele regio daar in handen valt van onze vijanden. Pakistan, een atoommacht met vele duizenden jihadstrijders, is een instabiel land. Musharraf kan ieder moment vallen. We zullen al het mogelijke moeten doen om te voorkomen dat de fundamentalisten in Islamabad aan de macht komen. Ons als Navo terugtrekken uit Afghanistan is al helemaal geen optie.

Achterhuis: Wilt u dan ook Pakistan binnenvallen? Daar zitten de meeste van die trainingskampen immers. Toch gebeurt dat niet. En waarom niet? Omdat het niet realistisch is. De dominotheorie die nu gebruikt wordt ten aanzien van het islamisme werd in de Koude Oorlog gebruikt ten aanzien van het communisme. Hetzelfde werd gezegd over Vietnam: als Vietnam valt, dan valt heel Zuid Oost Azië. Uiteindelijk is dat niet gebeurd.

Boekestijn: Natuurlijk bepleit de VVD geen inval in Pakistan. Ik wijs er wel op dat militaire interventie soms noodzakelijk is. Hitler hebben we tenslotte ook niet weggekregen met bloemenmeisjes. Het Westen heeft Hitler toen veel te ver laten komen. En dat gevaar is er nu opnieuw. Het Westen slaapt. De grachtengordel en de linkse intellectuelen willen niet geloven dat er zoiets als een vijand bestaat die ons wil vernietigen. Door deze overtuiging wijzen zij ook de gedachte af dat er offers gebracht zullen moeten worden voor onze vrijheid. De man in de straat beseft, in tegenstelling tot onze politiek correcte elite, dondersgoed dat de terroristen die in Duitsland onlangs konden worden opgepakt met ontzettend zware explosieven in een Pakistaans trainingskamp zijn opgeleid en dat onze veiligheid dus internationale interventie noodzakelijk maakt.

Achterhuis: De man in de straat, waar ik zelf mij overigens niet graag op beroep, is van oordeel dat wij de missie in Uruzgan niet moeten voortzetten. De meerderheid van de Nederlanders is er kennelijk niet van overtuigd dat een Afghanistan onder de Taliban een rechtstreekse bedreiging voor de Nederlandse veiligheid vormt, zoals Hitler Duitsland dat wél was.

Boekestijn: Laten we de man in de straat helder uitleggen dat een Afghanistan waar de Taliban en Al Kaida welig tieren plus een instabiel Pakistan met een atoomwapen niet in het belang is van het Westen. Sterker nog, als we het zover zouden laten komen, zullen we weldra weer terug moeten gaan en zal het nog meer mensenlevens kosten om het internationale terrorisme te bestrijden.

Achterhuis: Natuurlijk zijn een instabiel Pakistan en een Afghanistan onder de Taliban niet in het belang van het Westen. Maar ik kan toch nog wel tien situaties bedenken die niet in het belang zijn van het Westen. Gaan we daar allemaal wat aan doen? Ik herken hier toch de toon van het neoconservatieve interventionisme, de stroming die de wereld naar ons democratisch beeld en gelijkenis wil veranderen. Maar je moet de wereld zoals we die willen hebben niet verwarren met de wereld zoals die is. Samuel Huntington stelt in zijn veel verguisde boek The Clash of Civilizations dat we moeten uitgaan van het bestaan van verschillende beschavingen. Hij keert zich daarin tegen het imperialistische universalisme, dat die verschillen weigert te aanvaarden. Ik ben het daarbij ook met hem eens dat je die verschillen, hoe scherp, pijnlijk en gevaarlijk die in onze ogen ook mogen zijn, moet proberen te benaderen langs de weg van de diplomatie in plaats van met oorlogsdreigingen.